NEDERLANDSE SAMENVATTING
Het doel van het onderzoek voor dit proefschrift was meer inzicht te krijgen
in de moleculaire achtergronden van de ziekte Vanishing White Matter (VWM).
VWM is de eerste bekende menselijke ziekte die veroorzaakt wordt door mutaties
in een translatie initiatie factor. Mutaties in elk van de vijf genen, die coderen voor
de vijf subunits van het heteropentamere eiwitcomplex eIF2B kunnen leiden tot
VWM.
De pathofysiologie van de ziekte is tot nu toe onduidelijk gebleven. Het is
moeilijk te begrijpen dat de hersenen selectief zijn aangedaan, terwijl het
gemuteerde eiwitcomplex in alle cellen van alle organen van het menselijk lichaam
tot expressie komt. Om betrokken patiënten een zo juist mogelijke prognose te
kunnen bieden en hopelijk te komen tot een betere behandelmethode is meer en
beter inzicht in ziektemechanismen vereist. Ons onderzoek heeft zich in het
bijzonder op de biochemie en immunohistochemie van VWM gericht. Met dit
proefschrift hebben we duidelijkheid gebracht in een aantal aspecten van de
pathofysiologie van VWM, maar vooralsnog zijn ook veel vragen onbeantwoord
gebleven.
Gezien de mutaties die bij VWM in de eIF2B genen werden gevonden, was
de eerste veronderstelling dat deze mutaties zouden leiden tot een afname in
activiteit van eIF2B en dus in een verminderde eiwitsynthese in het algemeen. Het
eIF2B complex komt tot expressie in alle cellen van het menselijk lichaam en het
mutante eiwitcomplex dus ook. Om deze reden startten wij ons onderzoek in
gekweekte witte bloedcellen. Deze zogenaamde lymfoblasten zijn makkelijk te
kweken en het is voor de patiënten weinig belastend om ze te verkrijgen. Op deze
manier konden we experimenten doen in cellen met een grote variatie aan
mutaties in de eIF2B genen.
De resultaten van deze eerste experimenten met lymfoblasten staan
beschreven in hoofdstuk 2. We onderzochten de activiteit van het eIF2B complex,
het effect op de algemene eiwitsynthese en de stabiliteit en samenstelling van het
eIF2·eIF2B complex. Het meest opvallende resultaat was dat, hoewel de eIF2B
activiteit significant verminderd was in VWM lymfoblasten, er met behulp van [
35 S]- methionine-inbouw geen verschillen in de eiwitsynthese tussen controle en
patiënten werden waargenomen. Ook was het effect van hitte-stress op de
eiwitsynthese in VWM cellen niet anders dan in controle cellen. Op Western blot
was te zien dat het expressieniveau van alle eIF2B subunits in de VWM cellen
overeen kwam met dat in de controle cellen. In HPLC analyse bleken mutaties in
eIF2B genen niet van invloed op de interactie tussen eIF2B en eIF2 of op
onderlinge interacties van de eIF2B subunits. Celdeling en overleving van patiënt
en controle lymfoblasten bleken zowel na ernstige (43º) als na matige (40º) hitte-
stress niet verschillend te zijn.
Over het algemeen wordt aangenomen dat de hoeveelheid actief eIF2B
een snelheidsbepalende factor is voor eiwitsynthese in cellen. In onze
experimenten bleek verminderde eIF2B activiteit geen effect te hebben op de
eiwitsynthese en dus bleek de eIF2B activiteit niet snelheidsbepalend te zijn in
lymfoblasten. De vraag was nu hoe het mogelijk was dat mutaties die wel de eIF2B
activiteit verminderen geen effect hadden op de eiwit synthese. Een mogelijkheid
was dat eIF2B niet snelheidsbepalend is in lymfoblasten, hetgeen zou betekenen
dit dat we naar een ander modelsysteem moeten zoeken. Een andere mogelijkheid
was dat de mutaties geen effect hebben op de eiwitsynthese maar op andere, nog
onbekende eIF2B gerelateerde functies.
Onder condities van cel-stress wordt de activiteit van eIF2B gereguleerd
door eIF2 fosforylatie. Fosforylatie van de α-subunit van eIF2 leidt tot een stabiele
binding van eIF2 met eIF2B. Hierdoor wordt eIF2B weggevangen en wordt de
eiwitsynthese verminderd. Wij vonden dat hitte-stress tot lagere expressie van
specifieke eIF2B subunits leidde in lymfoblasten van sommige patiënten (hoofdstuk
2). Bovendien was de toename in eIF2α fosforylatie bij hitte-stress minder sterk in
VWM lymfoblasten dan in controle cellen. Al deze bevindingen zouden een deel
kunnen vertegenwoordigen van de verklaring waarom VWM patiënten een snelle
en ernstige achteruitgang kunnen ondervinden bij koortsende ziektes, hoewel de
exacte rol van verminderde eIF2α fosforylatie in VWM cellen nog niet onderzocht
is.
Het is belangrijk te bedenken dat verminderde eIF2B activiteit leidt tot
daling van de eiwitsynthese, maar dat de productie van een aantal specifieke
eiwitten juist toeneemt. Deze toename wordt veroorzaakt door de aanwezigheid
van meerdere open reading frames (uORFs) in de 5’-onvertaalde regio van deze
specifieke mRNAs. Het ribosoom begint de translatie van een mRNA bij het meest
stroomopwaartse startcodon (AUG), maar blijft na het tegenkomen van het
stopcodon van het uORF geassocieerd met het mRNA, op zoek naar een meer
stroomafwaarts gelegen AUG codon. Om een volgend AUG te herkennen moet het
ribosoom herladen worden met actief eIF2-GTP-Met-tRNAi complex. Als dit
complex in hoge concentratie aanwezig is, is de kans groot dat het ribosoom op tijd
herladen is en initiatie plaats vindt op een AUG van één van de volgende uORFs.
Als het eIF2-GTP-Met-tRNAi complex echter in lage concentratie aanwezig is,
bijvoorbeeld door lage eIF2B activiteit, is de kans groter dat het ribosoom niet op
tijd herladen wordt voor de translatie van deze uORFs. Het ribosoom zal deze
upstream AUGs dan overslaan en doorgaan met scannen, waardoor er meer tijd is
voor het herladen met eIF2-GTP-Met-tRNAi. Herkenning van het “echte”
stroomafwaartse startcodon leidt dan tot de synthese van een functioneel eiwit.
ATF4 is een voorbeeld van een eiwit dat op deze manier gereguleerd wordt [1]. Dit
is de verklaring dat ATF4 altijd enigszins verhoogd tot expressie komt in VWM
cellen. Bij stress zal dan verdere verhoging van de expressie plaats vinden [2]. Het
is aangetoond dat in cellen, die gemuteerd eIF2B tot overexpressie brengen, de
ATF4 expressie ook verhoogd is [3]. Toedienen van tunicamycine, een stof die
stress induceert in het endoplasmatisch reticulum (ER), leidt ook voor een hogere
toename van ATF4 in VWM fibroblasten dan in controle fibroblasten [2]. ATF4
speelt een belangrijke rol in de zogenaamde “unfolded protein response” (UPR),
wat voor ons een eerste aanwijzing was dat de UPR betrokken zou kunnen zijn bij
de pathofysiologie van VWM.

Omdat geïmortaliseerde lymfoblasten geen goed modelsysteem bleek te
zijn voor VWM (hoofdstuk 2), moest er een ander celsysteem of weefsel gevonden
worden om de effecten van VWM mutaties te bestuderen. Het ideaal zou een
experimenteel systeem zijn waarbij hersencellen van verschillende VWM patiënten
in kweek gebracht kunnen worden. In zo’n systeem zouden de effecten van
verschillende VWM mutaties op cellen van het meeste getroffen orgaan onderzocht
kunnen worden. Het spreekt voor zich dat het verkrijgen van hersencellen van
patiënten moeilijk te realiseren is. Er was voor dit onderzoek ook geen VWM
muismodel beschikbaar om de effecten van eIF2B mutaties in gekweekte
hersencellen te kunnen bekijken. We besloten daarom het onderzoek te richten op
de pathologie van post-mortem hersenweefsel van VWM patiënten om zo toch
informatie te verkrijgen over afwijkende processen in VWM hersenen.
Kenmerkende pathologische bevindingen in VWM hersenen omvatten
cysteuze degeneratie van de witte stof, aanwezigheid van oligodendrocyten met
een schuimig cytoplasma, dysmorfe astrocyten en oligodendrocyten, een toename
van de aantallen oligodendrocyten, en apoptose van oligodendrocyten. Het zou zo
kunnen zijn, dat gemuteerd eIF2B de cel belemmert in de regulatie van de
eiwitsynthese bij stress en misschien ook onder normale condities. Het zou
derhalve mogelijk zijn, dat de UPR geactiveerd is bij VWM. De UPR is een
verdedigingsmechanisme van de cel, dat geactiveerd wordt bij overbelasting van
het ER door ongevouwen of verkeerd gevouwen eiwitten. De UPR leidt tot
remming van de synthese van nieuwe eiwitten en induceert daarnaast zowel pro-
overleving als pro-apoptose mediatoren. Een tweede reden om aan te nemen dat
de UPR geactiveerd zou kunnen zijn bij VWM wordt gevonden in de verhoogde
ATF4 expressie, zoals eerder genoemd. De resultaten van de experimenten op het
gebied van activatie van de UPR bij VWM worden beschreven in hoofdstukken 3
en 4.
In hoofdstuk 3 wordt beschreven hoe met behulp van immunohistochemie
en Western blotting de betrokkenheid van één van de drie paden van de UPR werd
aangetoond in glia van VWM patiënten. In hoofdstuk 4 wordt beschreven hoe met
real time kwantitatieve PCR en immunohistochemie werd aangetoond dat alle drie
Nederlandse Samenvatting
de paden van de UPR geactiveerd zijn bij VWM. We lieten zien dat de UPR alleen
geactiveerd is in de witte stof en dan voornamelijk in glia. Dat deze cellen zo
selectief getroffen zijn bij VWM, suggereert dat de abnormale activatie van de UPR
mogelijk een sleutelrol vervult in de pathofysiologie van VWM. Het is een mogelijke
verklaring voor het dysmorfe uiterlijk van de glia, alsmede voor de proliferatie en
apoptose van glia in VWM.
Verminderde eIF2B activiteit leidt tot verminderde eiwit synthese. Het is
daarom niet erg aannemelijk dat de aanwezigheid van verkeerd gevouwen eiwitten
de oorzaak is voor de activatie van de UPR in cellen van de witte stof. De meest
waarschijnlijke verklaring is te vinden in de constante verhoogde ATF4 expressie.
Verhoogde ATF4 expressie leidt tot verhoogde CHOP expressie. Van CHOP is
bekend dat het de cellen extra gevoelig maakt voor ER stress. Een logisch gevolg
is dan dat zelfs minimale stress al kan leiden tot verdere verlaging van de eIF2B
activiteit en dus hyperexpressie van ATF4 en CHOP. Cellen met een defect eIF2B
hebben daarom een aangeboren hyperreactiviteit op stress. Deze abnormale
activatie van de UPR kan bijdragen aan de activatie van tegenstrijdige mediatoren,
met als gevolg activatie van zowel celdeling, celoverleving als celdood. Gezonde
cellen kunnen goed omgaan met minimale stresses, maar dergelijke geringe stress
zou catastrofaal kunnen zijn voor VWM cellen.
Waarom de abnormale UPR activatie specifiek optreedt in glia is niet
duidelijk. Het is voorstelbaar dat de UPR sneller geactiveerd wordt in cellen met
een zeer actieve eiwitsynthese. Oligodendrocyten moeten grote hoeveelheden
eiwit produceren voor de myeline schede en veel van deze eiwitten worden in het
ER gemoduleerd. Deze grote ER-afhankelijkheid zou oligodendrocyten kwetsbaar
kunnen maken voor elke vorm van ER-stress. Van astrocyten is bekend dat ze
relatief ongevoelig zijn voor de meeste vormen van stress, maar het is ook bekend
dat continue verhoging van CHOP leidt tot dood van astrocyten [4].
Activatie van de UPR is beschreven bij verschillende neurologische
aandoeningen. In de meeste gevallen is de UPR geactiveerd doordat het mutante
eiwit een abnormale conformatie heeft. Mutaties kunnen leiden tot abnormale
vouwing van eiwitten en accumulatie van de verkeerd gevouwen eiwitten in het ER,
met UPR activatie als gevolg (bijvoorbeeld PLP1 missense mutaties bij de ziekte
van Pelizaeus Merzbacher [5] en expansie van instabiele repeat-sequenties bij
verschillende neurologische aandoeningen zoals de spinocerebellaire ataxieën [6-
8]). Bij VWM wordt de UPR op een andere manier geactiveerd, namelijk door
overexpressie van ATF4 ten gevolge van verminderde eIF2B activiteit en niet ten
gevolge van conformatie verandering van het mutante eiwit.
De waarnemingen die in hoofdstuk 5 worden beschreven geven aan hoe
belangrijk het is om hersenmateriaal van VWM patiënten in detail te bestuderen.
Histologisch onderzoek van aangedane cerebellaire witte stof van VWM patiënten,
zoals beschreven in hoofdstuk 5, bracht een aantal ongewone mitotische figuren
aan het licht. Deze waarneming duidt mogelijk op een defect in de celcyclus van
VWM glia. Wij onderzochten de aard van deze afwijkingen nader met behulp van
histologie en immunologische technieken. De resultaten sloten uit dat het om
aneuploïdie ging; zij waren suggestief voor een fout in de mitose in de getroffen
glia van deze VWM patiënten.
In hoofdstuk 6 wordt differentiatie van glia uitgebreider bekeken. Bij VWM
patiënten is de uitwendige vorm van de hersenen normaal. Er zijn geen
ontwikkelingsdefecten, zoals afwijkingen in de gyratie of misvormde structuren.
Histopathologische studies [9] en MRI (figuur 1, hoofdstuk 7) tonen echter aan dat
het myelinisatie-proces al vanaf jonge leeftijd is verstoord, later gevolgd door meer
prominente wittestof afwijkingen. Deze bevindingen zouden kunnen worden
verklaard door een dysfunctie van astrocyten en oligodendrocyten vanaf jonge
leeftijd. Een gebrek aan mature oligodendrocyten zou kunnen leiden tot een
gebrek aan myeline en vervolgens tot myeline verlies. Dysfunctie van astrocyten
zou bij kunnen dragen aan het defect in de myelinisatie en vervolgens kunnen
leiden tot cysteuze wittestofdegeneratie, samenhangend met ontbreken van
adequate astrogliosis. Er zijn veel aanwijzingen in de pathologie die deze
hypotheses steunen [9-12]. Alle gepubliceerde artikelen beschrijven relatief
geringe astrogliose, abnormale hyperplastische astrocyten, in groten getale
aanwezig in gespaarde witte stof en maar in geringe aantallen in de cysteuze witte
stof. De response van de oligodendrocyten is meer divers en lijkt gerelateerd aan
het stadium van de ziekte [10-23]. Over het algemeen is het aantal
oligodendrocyten afgenomen, maar relatief hoog voor de ernst van de witte stof
degeneratie.
Mature astrocyten en oligodendrocyten ontstaan uit een
gemeenschappelijke immature voorloper. De differentiatie van deze voorloper
cellen in ofwel astrocyten ofwel oligodendrocyten kan bestudeerd worden door
middel van immunohistochemische markers, specifiek voor de verschillende stadia
van ontwikkeling. Met behulp van post-mortem hersenmateriaal van VWM patenten
en controles, hebben we aanwijzingen gevonden voor een verstoring van dit
maturatie proces bij VWM patiënten. Er is een gebrek aan normale, volwassen
astrocyten en oligodendrocyten. De bevindingen zoals beschreven in hoofdstuk 6
suggereren dat de myeline deficiëntie in VWM waarschijnlijk wordt veroorzaakt
door een tekort aan volwassen, myeline-producerende oligodendrocyten, en dat de
geringe astrocytose wordt veroorzaakt door een defect in de maturatie van
voorlopers naar normale, rijpe astrocyten. De conclusie is dat er voornamelijk
delende voorloper-cellen van de astrocytaire lijn aanwezig zijn in de witte stof bij
VWM en dat veel van deze cellen in apoptose gaan.
Met deze resultaten hebben wij aanwijzingen gevonden dat VWM een
ziekte is waarbij glia vanaf een vroeg stadium selectief zijn aangedaan. Hoewel de
achterliggende reden voor de kwetsbaarheid van glia cellen niet is opgehelderd,
laten we aan aantal mogelijk betrokken mechanismen zien. Het belangrijkste
inzicht gebaseerd op onze bevindingen is, dat transplantatie van glia-
voorlopercellen, bedoeld om de hersenen van VWM patiënten in een vroeg
stadium, als de witte stof onvoldoende myeline bevat maar verder nog wel intact is,
te voorzien van gezonde oligodendrocyten en astrocyten, misschien wel de beste
therapeutische optie is. Gezonde glia-voorlopers kunnen zowel oligodendrocyten
als astrocyten produceren en de aanwezigheid van deze gezonde glia kan de
ziekte verhinderen om zich verder te ontwikkelen. Transplantatie van glia-voorloper
cellen heeft reeds aangetoond te leiden tot extensieve myelinisatie in myeline-
deficiënte muizen [22,23].
De belangrijkste resultaten van ons onderzoek zijn verkregen met behulp
van patiëntenmateriaal. Het voordeel hiervan is dat er geen vertaling van model
naar patiënt gedaan hoeft te worden. Het nadeel ervan is dat we altijd gebonden
zijn aan het eindstadium van de ziekte, terwijl ook eerdere stadia van de ziekte-
ontwikkeling interessant zijn. Voor verdere studies is een muismodel met een VWM
mutatie onmisbaar. De verschillende stadia van de ziekte kunnen dan beter
onderzocht worden. Mutante hersencellen kunnen in kweek gebracht worden.
Hierdoor kunnen de effecten van VWM mutaties op de verschillende celtypen apart
en in combinatie met ander cellen in co-culturen onderzocht worden. Het effect van
verschillende stress-factoren op het ziekte verloop kan onderzocht worden, zowel
in intacte muizen als in celkweken. De mogelijkheid van glia-voorloper
transplantatie kan onderzocht worden in de VWM muis.
Figuur1 (zie Hoofdstuk 7) Patiënt met VWM (a en b verkregen bij 21 maanden; c bij 38 maanden) en
een gezonde persoon (d verkregen bij 19 maanden). Bij de VWM patiënt laat het T2-gewogen beeld bij 21 maanden (a) zien dat de subcorticale witte stof een iets hoger sigsnaal heeft dan de cortex, hetgeen duidt op gebrek aan myeline. Bij de gezonde controle laat het T2-gewogen beeld op hetzelfde niveau (d) zien dat bijna de gehele cerebrale witte stof een lager signaal heeft dan de cortex, hetgeen duidt op bijna volledige myelinisatie, normaal voor de leeftijd. Daarnaast laten de T2-gewogen (a) en FLAIR beelden (b) van de patiënt bij 21 maanden een brede periventriculaire rand met een hoog signaal zien, wat duidt op een ernstiger afwijking van de witte stof dan alleen hypomyelinisatie. Gezien de afwezigheid van gebieden met een laag signaal op FLAIR opname zijn er geen aanwijizngen voor cysteuze degeneratie van de witte stof. Bij 38 maanden (c) toont de FLAIR opname dat een gedeelte van de frontale witte stof nu een lager signaal heeft, passend bij beginnende cysteuze degeneratie.